β
Optellen: staat een klein getal nΓ‘ een groot getal? Dan tel je op.
VI = 5 + 1 = 6
β
Aftrekken: staat een klein getal vΓ³Γ³r een groot getal? Dan trek je af.
IV = 5 β 1 = 4
π
Van groot naar klein: je begint standaard altijd met de grootste letter.
LXXXVIII = 50+10+10+10+5+1+1+1 = 88
π
Nooit meer dan 3 keer: dezelfde letter mag maximaal 3Γ achter elkaar.
III = 3 β IIII β β schrijf IV
β οΈ
V, L en D maar één keer: VV, LL of DD bestaat niet.
0οΈβ£
Geen nul: de Romeinen hadden geen cijfer voor 0.
π«
Aftrekken mag alleen zo: IV (4) Β· IX (9) Β· XL (40) Β· XC (90) Β· CD (400) Β· CM (900)
β
Nooit twee letters tegelijk aftrekken: 8 is VIII, niet IIX.
βοΈ
Altijd hoofdletters: schrijf altijd I, V, X β nooit i, v, x.